Waar vind je nog zo’n breed vak?
- Roeland Kortleven
- 1 dag geleden
- 8 minuten om te lezen
Communicatie in een lokaal bestuur werd de voorbije 23 jaar steeds rijker, breder en complexer. Nieuwe kanalen en opdrachten verklaren maar een deel van die evolutie. Ook de aard van het vak veranderde. De vraag is hoe communicatiediensten hun werking kunnen laten meegroeien met die steeds bredere opdracht.

Waar vind je nog een vak waarin je op één dag schakelt tussen een beleidsbeslissing, een participatietraject, de promotie van een toeristisch product, interne communicatie en een socialemediacrisis? Voor wie op een communicatiedienst van een lokaal bestuur werkt, klinkt dat verrassend herkenbaar.
’s Ochtends probeer je een complex dossier over mobiliteit helder te krijgen. Daarna bespreek je met collega’s hoe je ouders bereikt voor een initiatief rond kinderopvang. Tussendoor vraagt iemand advies over een gevoelig bericht op sociale media. In de namiddag zit je mee rond de tafel voor een intern verandertraject of een toeristische campagne. Geen enkele dag verloopt hetzelfde, en vaak lijkt zelfs geen enkel uur op het vorige.
Ik werk intussen meer dan 23 jaar mee aan de communicatiedienst van ons gemeentebestuur. In die periode zag ik de opdracht voortdurend verbreden. Er kwamen kanalen, thema’s, verwachtingen, partners en nieuwe vormen van communicatie bij, terwijl vrijwel niets helemaal verdween.
Het infoblad bleef bestaan toen de website kwam. De website bleef belangrijk toen sociale media groeiden. Fysieke participatie verdween niet door online bevragingen, en een algemene nieuwsbrief werd aangevuld met WhatsApp en gerichte mailings. Nieuwe communicatievormen kwamen meestal boven op wat er al was.
Precies die breedte maakt dit vak zo bijzonder. Ze vraagt tegelijk dat we onze werking blijven aanpassen om al die rollen met voldoende kwaliteit te kunnen opnemen.
Op één dag verschillende communicatieberoepen

Een communicatiedienst wordt nog vaak geassocieerd met teksten, persberichten en sociale media. Dat hoort erbij, maar het dekt nog maar een deel van de werkelijkheid.
Bij een beleidsbeslissing probeer je eerst te begrijpen wat er werkelijk verandert en waarom dat relevant is. Je zoekt naar de kern, stelt moeilijke vragen en voelt aan waar uitleg nodig zal zijn. Bij dienstverlening werkt die reflex anders. Daar telt vooral hoe snel iemand vindt wat hij moet doen, wanneer hij ergens terechtkan en welke voorwaarden gelden.
Een participatietraject vraagt opnieuw een andere aanpak. Wie moet betrokken worden? Je brengt in kaart wat nog openligt, formuleert vragen zonder het antwoord al in te bouwen en zorgt achteraf voor een heldere terugkoppeling over wat met de input is gebeurd.
Bij marketing gaat het over aantrekkingskracht. Hoe positioneer je een gemeente, evenement of toeristisch product? Welke doelgroep wil je bereiken? Wat zet mensen werkelijk aan om deel te nemen, te bezoeken of te solliciteren?
Wanneer een bericht op sociale media plots ontspoort, veranderen tempo en aanpak meteen. Dan moet je snel feiten verzamelen, intern afstemmen, reacties beoordelen en tegelijk kalm blijven.
De ene keer ben je journalist. Even later adviseur, marketeer, moderator, procesbegeleider of crisiscommunicator. Vaak ben je verschillende van die dingen tegelijk.
Inhoudelijk van alle markten thuis

De verscheidenheid zit ook in de onderwerpen. Veel organisaties communiceren binnen een vrij herkenbare wereld, met een afgebakend aanbod, een beperkt aantal producten en een aantal vaste doelgroepen.
Een lokaal bestuur raakt bijna alles wat in een samenleving gebeurt: kinderopvang, jeugd, cultuur, sport, seniorenwerking, sociale dienstverlening, wonen, mobiliteit, wegenwerken, klimaat, afval, veiligheid, ondernemen, toerisme, evenementen, gezondheid en participatie.
Intern gaat het net zo breed over HR, ICT, facility, leiderschap, welzijn, informatieveiligheid, digitalisering en organisatieverandering.
Je hoeft geen specialist te worden in elk van die domeinen, maar je moet wel snel kunnen binnendringen in een onderwerp. Waarover gaat dit echt? Je achterhaalt welke informatie cruciaal is, welke termen correct moeten zijn, wie de gevolgen ondervindt, waar vragen of spanningen kunnen ontstaan en wat nog ontbreekt om degelijk te kunnen communiceren.
Dat voortdurende leren vind ik een van de aantrekkelijkste kanten van het vak. Je kijkt elke week binnen in nieuwe werelden en leert de organisatie kennen op een manier die weinig andere functies toelaten.
Elk onderwerp kreeg meer lagen
De waaier werd breder, maar ook elk afzonderlijk onderwerp werd rijker en complexer.
Een wegenwerk is al lang geen melding meer met een begin- en einddatum. Je houdt rekening met bewoners, handelaars, scholen, openbaar vervoer, fietsers, hulpdiensten, toegankelijkheid, verschillende fasen en veranderende planningen.

Communicatie over sociale dienstverlening vraagt kennis van de doelgroep, gevoel voor privacy, aandacht voor stigma en inzicht in de kanalen waarmee je mensen werkelijk bereikt. Kinderopvang raakt aan capaciteit, regelgeving, tarieven, inschrijvingen en de dagelijkse realiteit van gezinnen. Toeristische communicatie brengt
productontwikkeling, promotie, partnerschappen, beleving en lokale economie samen.
Achter één ogenschijnlijk eenvoudig bericht zitten daardoor vaak meerdere gesprekken, verschillende bronnen en een reeks goedkeuringen. De omvang nam toe, samen met de nood aan afstemming en inhoudelijk inzicht.
Communiceren voor een superdivers publiek
Een lokaal bestuur communiceert met iedereen. Met mensen die dagelijks online zijn en mensen die nauwelijks digitaal werken. Met inwoners die bestuursbeslissingen nauwgezet volgen en inwoners die pas informatie zoeken wanneer ze die onmiddellijk nodig hebben. Met jongeren, senioren, ondernemers, gezinnen, nieuwkomers en mensen in een kwetsbare situatie.
Die diversiteit vraagt veel meer dan één tekst in eenvoudige taal. Soms werkt een webpagina, soms is een brief nodig. Een andere doelgroep bereik je via WhatsApp, een gerichte mailing, een vereniging of een medewerker die rechtstreeks contact heeft.
Ook beeldkeuze, toegankelijkheid en representatie spelen een grotere rol. Mensen moeten zich aangesproken voelen en de informatie kunnen gebruiken.
Dat maakt communicatie veeleisender en tegelijk menselijker. Je schrijft niet voor “de inwoner”. Je probeert uiteenlopende mensen te bereiken, elk met hun eigen context en verwachtingen.
Publiceren is vaak het begin
Sociale media hebben de afstand tussen organisatie en publiek kleiner gemaakt. Dat levert snelle feedback, nuttige signalen en rechtstreekse interactie op. Het werk eindigt daardoor steeds minder wanneer een bericht online staat.
Mensen reageren, stellen vragen, delen eigen ervaringen of trekken conclusies die je niet had voorzien. Een onduidelijke formulering kan snel een eigen leven gaan leiden. Een lokaal incident kan ’s avonds of in het weekend plots uitgroeien tot een socialemediacrisis.
Crisiscommunicatie is daardoor breder geworden. Ze gaat over branden, extreem weer en veiligheidsincidenten, maar evengoed over cyberaanvallen, uitgevallen dienstverlening, reputatieproblemen of een online discussie die snel escaleert.
Een crisis kan 24 uur per dag starten. Dat vraagt paraatheid, goede afspraken en mensen die snel kunnen schakelen zonder onnodig olie op het vuur te gooien.
Participatie bracht communicatie vroeger in het proces
Participatie heeft onze rol nog op een andere manier veranderd. Een participatietraject begint lang vóór de uitnodiging voor een infomoment.
Je denkt mee over wie aan tafel moet zitten, welke ruimte er werkelijk voor inspraak is en hoe je verwachtingen correct houdt. Je helpt vragen formuleren, organiseert online en fysieke participatie, maakt complexe informatie begrijpelijk en bewaakt de terugkoppeling.
Dat laatste bepaalt vaak hoeveel vertrouwen een volgend traject krijgt. Wie tijd investeert in participatie, wil weten wat er met die bijdrage gebeurt.
Communicatie komt daardoor dichter bij het ontstaan van beleid en projecten. Je vertelt wat er beslist werd en draagt mee bij aan de manier waarop gesprekken en keuzes tot stand komen.
Ook marketing hoort bij overheidscommunicatie
Overheidscommunicatie draait al lang niet meer uitsluitend om beleid en dienstverlening. Lokale besturen positioneren hun gemeente of stad, promoten evenementen, ondersteunen lokale handel, ontwikkelen toeristische producten en proberen sterke medewerkers aan te trekken.
Dat vraagt een marketingbril. Je denkt na over doelgroepen, positionering, merk, campagne, beleving, activatie en effect. De promotie van een toeristisch product volgt een andere logica dan de uitleg van een reglement. Een vacaturecampagne vraagt iets anders dan communicatie over wegenwerken.
Net die wisselwerking vind ik boeiend. Je combineert marketinginzichten met een publieke opdracht. De communicatie mag aantrekkelijk zijn en moet tegelijk betrouwbaar, inclusief en maatschappelijk relevant blijven.
Van eigen organisatie naar netwerk van partners

Ook de organisatie waarvoor we communiceren, ziet er anders uit dan 23 jaar geleden.
Gemeente en OCMW zijn samengebracht. Veel dienstverlening ontstaat binnen intergemeentelijke samenwerkingsverbanden. We werken met Vlaamse agentschappen, politiezones, hulpverleningszones, welzijnspartners, verenigingen, ondernemers en inwonersgroepen.
Voor de buitenwereld moet dat meestal één begrijpelijk verhaal vormen. Achter dat ene verhaal zitten verschillende verantwoordelijkheden, afspraken, huisstijlen, woordvoerders en goedkeuringslijnen.
Wie communiceert? Daarbij moet duidelijk zijn wie de feiten bevestigt, wie de boodschap verspreidt en waar inwoners met hun vragen terechtkunnen.
Dat maakt de communicatiedienst steeds meer tot regisseur. Je verzamelt informatie, brengt partners samen, zoekt naar een gedeelde lijn en probeert van een complexe samenwerking iets begrijpelijk te maken. Dat is soms puzzelen. Precies daarom blijft het interessant.
De volgende 23 jaar worden niet eenvoudiger
Als ik kijk naar hoe het vak zich ontwikkelde, verwacht ik niet dat de waaier binnenkort smaller wordt.
Nieuwe technologie zal nieuwe kanalen en verwachtingen creëren. Samenwerkingen worden intensiever. Dossiers blijven gevoelig. Mensen verwachten snelheid, transparantie en interactie. Tegelijk moeten we blijven zorgen voor nuance, toegankelijkheid en betrouwbaarheid.
Ik zie dat als een reden om onze werking verder te ontwikkelen. We kunnen elk nieuw kanaal en elke nieuwe opdracht niet onbeperkt blijven toevoegen zonder keuzes te maken in hoe we werken. Daar liggen volgens mij vier bewegingen die het verschil maken.
Vroeger zien wat eraan komt
Een sterke communicatiedienst wacht steeds minder op afzonderlijke vragen. Ze kijkt vooruit, volgt projecten en beslissingen, spreekt met diensten en bouwt een radar uit voor wat er aankomt.
Zo kan communicatie vroeger meedenken over timing, doelgroepen en mogelijke gevoeligheden. Dat maakt het werk interessanter én beter beheersbaar.
Proactief werken vraagt dat je zicht organiseert op dossiers die nog in beweging zijn. Daar ontstaat meestal de grootste communicatieve meerwaarde. Je kunt nog vragen stellen, risico’s signaleren en mee bepalen hoe een traject wordt opgebouwd.
De hele organisatie communicatievaardiger maken
Niet elke mail, aankondiging of eenvoudige tekst hoeft volledig door de communicatiedienst gemaakt te worden.
Collega’s kunnen leren hoe ze goede input aanleveren, helderder schrijven en communicatievragen vroeger herkennen. Formats, korte opleidingen, checklists en goede voorbeelden helpen daarbij.
De communicatiedienst blijft bewaken, adviseren en ondersteunen. Tegelijk versterkt ze de communicatiekracht van de hele organisatie.
Dat geeft ruimte voor dossiers waar gespecialiseerde communicatie-expertise het grootste verschil maakt. Het helpt ook om communicatie vroeger en breder in de organisatie te verankeren.
Terugkerend werk slimmer organiseren
Veel tijd gaat naar stappen die zich blijven herhalen: input ordenen, ontbrekende informatie zoeken, teksten herwerken, kanaalvarianten maken en controles uitvoeren.
Zodra je die processen expliciet maakt, kun je ze beter organiseren. Met vaste formats, duidelijke intake, gedeelde criteria en afspraken over validatie.
AI kan daarin veel werk verlichten. Het kan input structureren, lacunes aanwijzen, eerste versies voorbereiden en teksten aanpassen aan verschillende kanalen.
Dat levert tijd op, maar vooral ook meer rust, overzicht en consistentie.
AI ook laten meedenken
De interessantste mogelijkheden van AI zitten voor mij steeds meer vóór het schrijven.
AI kan grote hoeveelheden informatie ordenen, stakeholders helpen verkennen, risico’s zichtbaar maken, scenario’s naast elkaar zetten en kritische vragen formuleren.
Binnen een project kan het eerdere keuzes en gevoeligheden meenemen naar volgende stappen. Zo ondersteunt AI de analyse en voorbereiding die aan sterke communicatie voorafgaan.
Daar ligt nog veel terrein open. De echte strategische waarde ontstaat wanneer AI mee helpt om dossiers scherper te begrijpen, betere vragen te stellen en communicatiekeuzes grondiger voor te bereiden.

Nog altijd een uitzonderlijk vak
Na meer dan 23 jaar heb ik nog altijd het gevoel dat ik in een uitzonderlijk vak terechtgekomen ben.
Je leert voortdurend bij, ontmoet mensen uit alle hoeken van de organisatie, maakt complexe onderwerpen begrijpelijk, brengt partijen samen en probeert communicatie te laten werken voor inwoners en medewerkers.
Het ene moment schrijf je. Het volgende luister je, adviseer je, analyseer je of probeer je een onverwachte situatie onder controle te krijgen. Waar vind je nog zo’n combinatie?
De waaier zal verder groeien. Die breedte maakt het vak net zo uitdagend. We moeten er vooral voor zorgen dat onze manier van werken mee evolueert, zodat we ook de komende jaren ruimte houden voor alles wat dit vak zo waardevol maakt.
Lees ook het vervolg:
Herkenbaar? Ik help communicatiediensten van lokale besturen om hun werking sterker, proactiever en slimmer te organiseren, met AI waar dat echt meerwaarde biedt.



Opmerkingen